1. De cirkel van het kerkelijk jaar
Het kerkelijk jaar loopt in een cirkel van advent, Kerstmis, vasten, Pasen, Pinksteren en groene zondagen, met eigen kleuren.
Ontdek de verhalen van Godly Play.
Het kerkelijk jaar loopt in een cirkel van advent, Kerstmis, vasten, Pasen, Pinksteren en groene zondagen, met eigen kleuren.
In de advent bereiden mensen zich voor op Kerst. De profeten wijzen de weg naar Betlehem en hun licht verspreidt zich.
Maria en Jozef reizen met de ezel naar Betlehem, waar iets ongelooflijks gaat gebeuren. Hun licht verspreidt zich door de kamer.
Herders bij Betlehem horen engelen zingen: wees niet bang, er is een Kind geboren. Ze haasten zich om het te zien.
Wijzen volgen een wilde ster naar Betlehem, waar het Christuskind in een voerbak ligt en het licht van Kerstmis zich verspreidt.
De wijzen komen bij Jezus met goud, wierook en mirre. Hun geschenken tonen dat deze koning anders is en zijn licht overal blijft.
Bij de doop klinkt iemands naam, water en olie verbinden met Vader, Zoon en Geest, en het licht van Christus wordt ontvangen en gedeeld.
God kiest Maria als moeder van Jezus. Maria en Jozef verzorgen het kind, terwijl het kruis al over zijn leven ligt.
De twaalfjarige Jezus raakt kwijt in Jeruzalem. Maria en Jozef vinden hem na drie dagen in de tempel, pratend met de rabbi’s.
Jezus wordt door Johannes gedoopt in de Jordaan. Daarna gaat hij veertig dagen de woestijn in om zijn weg te zoeken.
Jezus is veertig dagen in de woestijn. Hij weerstaat verleidingen en keert terug om zijn werk te beginnen.
Jezus komt dicht bij mensen die gemeden worden, raakt een blinde aan en geneest hem. Daarna gaat hij voor het laatst naar Jeruzalem.
Jezus komt Jeruzalem binnen, leert in de tempel, deelt het laatste avondmaal en wordt na Judas’ kus gevangengenomen.
Jezus sterft aan het kruis en wordt begraven. Op zondag vinden vrouwen het lege graf: Pasen maakt het einde tot een nieuw begin.
De goede Herder kent zijn schapen, leidt hen naar goed gras en nodigt mensen en kinderen aan zijn tafel met brood en wijn.
Jezus leest Jesaja in Nazaret en wordt afgewezen. Later deelt hij brood en wijn met de twaalf en belooft bij hen te zijn.
Jezus leest Jesaja, wordt afgewezen in Nazaret en deelt later brood en wijn met de twaalf; zo begint de viering van Woord en Tafel.
Maria Magdalena en andere vrouwen vinden Jezus’ graf leeg. Maria ontmoet de opgestane Jezus, die haar naar de leerlingen stuurt.
Twee leerlingen ontmoeten onderweg naar Emmaüs de opgestane Jezus en herkennen hem pas wanneer hij het brood breekt.
De opgestane Jezus verschijnt aan bange leerlingen en wenst vrede. Tomas twijfelt, maar ziet Jezus en gelooft.
Jezus verschijnt bij het meer, vult de netten en eet met zijn leerlingen. Hij vraagt Petrus zijn schapen te hoeden en hem te volgen.
Jezus ontmoet zijn leerlingen op de berg, zendt hen uit om zijn verhaal te delen en belooft altijd bij hen te zijn.
Jezus zegent zijn leerlingen en verdwijnt in een wolk. Zij keren terug naar Jeruzalem, kiezen Mattias en wachten op de Heilige Geest.
Met Pinksteren ontvangen de leerlingen de Heilige Geest als wind en vuur. Ze spreken alle talen en Petrus vertelt wat er gebeurt.
