1. De cirkel van het kerkelijk jaar
Het kerkelijk jaar loopt in een cirkel van advent, Kerstmis, vasten, Pasen, Pinksteren en groene zondagen, met eigen kleuren.
Ontdek de verhalen van Godly Play.
Het kerkelijk jaar loopt in een cirkel van advent, Kerstmis, vasten, Pasen, Pinksteren en groene zondagen, met eigen kleuren.
De Bijbel groeide van verhalen rond het kampvuur uit tot een boek vol verhalen om te vertellen, te lezen en terug te vinden.
Maria en Jozef reizen naar Bethlehem, waar Jezus wordt geboren. Herders en wijzen komen, en het Christuskind omhelst de wereld.
God schept licht, water, land, planten, zon, maan, dieren en mensen, en geeft de zevende dag als rustdag.
Noach bouwt op Gods opdracht een ark voor zijn familie en de dieren. Na de vloed belooft God met de regenboog nieuw leven.
Abraham en Sara volgen God door de woestijn; uit hun zoon Isaak groeit een grote familie, talrijk als sterren en zand.
Gods volk vlucht uit slavernij in Egypte. Mozes leidt hen door het water naar vrijheid; matse herinnert aan hun haast.
Gods volk trekt door de woestijn. Mozes ontvangt op de Sinaï de tien geboden als beste wegen om te leven.
Gods volk bouwt in de woestijn de ark en tabernakel, met altaar, menora en priesters, om dicht bij Gods aanwezigheid te komen.
David brengt de ark naar Jeruzalem. Salomo bouwt de tempel, waar God dichtbij komt en mensen kunnen bidden.
Jeruzalem wordt verwoest; Gods volk gaat in ballingschap naar Babylon. Later keren velen terug, maar sommigen blijven: God is ook daar.
Profeten roepen Israël en Juda terug naar God, waarschuwen voor ballingschap en spreken hoop op terugkeer naar Jeruzalem.
In de advent bereiden mensen zich voor op Kerst. De profeten wijzen de weg naar Betlehem en hun licht verspreidt zich.
Maria en Jozef reizen met de ezel naar Betlehem, waar iets ongelooflijks gaat gebeuren. Hun licht verspreidt zich door de kamer.
Herders bij Betlehem horen engelen zingen: wees niet bang, er is een Kind geboren. Ze haasten zich om het te zien.
Wijzen volgen een wilde ster naar Betlehem, waar het Christuskind in een voerbak ligt en het licht van Kerstmis zich verspreidt.
De wijzen komen bij Jezus met goud, wierook en mirre. Hun geschenken tonen dat deze koning anders is en zijn licht overal blijft.
Bij de doop klinkt iemands naam, water en olie verbinden met Vader, Zoon en Geest, en het licht van Christus wordt ontvangen en gedeeld.
De goede Herder kent zijn schapen, leidt ze naar gras en water, zoekt wie verloren is en beschermt hen tegen gevaar en de wolf.
Een gewonde reiziger wordt genegeerd door priester en Leviet, maar een Samaritaan helpt hem en zorgt voor hem.
Een koopman zoekt mooie parels, vindt één kostbare parel en ruilt alles wat hij heeft om die te krijgen.
Een zaaier strooit zaad op weg, rotsen, distels en goede grond. Alleen in goede grond groeit het uit tot een grote oogst.
Een vrouw mengt zuurdesem door veel meel. Het deeg rijst en wordt helemaal doordesemd, zoals het koninkrijk van de hemel.
Het koninkrijk van de hemel lijkt op een piepklein mosterdzaadje dat uitgroeit tot een grote struik waar vogels nestelen.
God kiest Maria als moeder van Jezus. Maria en Jozef verzorgen het kind, terwijl het kruis al over zijn leven ligt.
De twaalfjarige Jezus raakt kwijt in Jeruzalem. Maria en Jozef vinden hem na drie dagen in de tempel, pratend met de rabbi’s.
Jezus wordt door Johannes gedoopt in de Jordaan. Daarna gaat hij veertig dagen de woestijn in om zijn weg te zoeken.
Jezus is veertig dagen in de woestijn. Hij weerstaat verleidingen en keert terug om zijn werk te beginnen.
Jezus komt dicht bij mensen die gemeden worden, raakt een blinde aan en geneest hem. Daarna gaat hij voor het laatst naar Jeruzalem.
Jezus komt Jeruzalem binnen, leert in de tempel, deelt het laatste avondmaal en wordt na Judas’ kus gevangengenomen.
Jezus sterft aan het kruis en wordt begraven. Op zondag vinden vrouwen het lege graf: Pasen maakt het einde tot een nieuw begin.
Bij het laatste avondmaal kondigt Jezus verraad aan. De twaalf apostelen en hun symbolen vertellen hoe zij Jezus volgden.
De goede Herder kent zijn schapen, leidt hen naar goed gras en nodigt mensen en kinderen aan zijn tafel met brood en wijn.
Jezus leest Jesaja in Nazaret en wordt afgewezen. Later deelt hij brood en wijn met de twaalf en belooft bij hen te zijn.
Jezus leest Jesaja, wordt afgewezen in Nazaret en deelt later brood en wijn met de twaalf; zo begint de viering van Woord en Tafel.
Saulus vervolgt christenen, maar ontmoet Jezus in een fel licht. Blind wordt hij door Ananias geholpen, gedoopt en verandert in Paulus.
Een bijzondere doos wordt geopend voor een verhaal zonder woorden, groter dan elke onderlegger, dat later misschien woorden krijgt.
Het Woord wordt mens in Jezus: aangekondigd aan Maria, verheerlijkt op de berg, gestorven en opgestaan met Pasen.
Jezus wordt in Nazaret afgewezen, roept leerlingen, leert over Gods rijk, voedt vijfduizend mensen en wijst op de sabbat als rust voor mensen.
Jezus trekt naar Jeruzalem: hij geneest Bartimeüs, zegent kinderen, leert liefde, ontvangt Zacheüs en wordt in Betanië gezalfd.
Maria Magdalena en andere vrouwen vinden Jezus’ graf leeg. Maria ontmoet de opgestane Jezus, die haar naar de leerlingen stuurt.
Twee leerlingen ontmoeten onderweg naar Emmaüs de opgestane Jezus en herkennen hem pas wanneer hij het brood breekt.
De opgestane Jezus verschijnt aan bange leerlingen en wenst vrede. Tomas twijfelt, maar ziet Jezus en gelooft.
Jezus verschijnt bij het meer, vult de netten en eet met zijn leerlingen. Hij vraagt Petrus zijn schapen te hoeden en hem te volgen.
Jezus ontmoet zijn leerlingen op de berg, zendt hen uit om zijn verhaal te delen en belooft altijd bij hen te zijn.
Jezus zegent zijn leerlingen en verdwijnt in een wolk. Zij keren terug naar Jeruzalem, kiezen Mattias en wachten op de Heilige Geest.
Met Pinksteren ontvangen de leerlingen de Heilige Geest als wind en vuur. Ze spreken alle talen en Petrus vertelt wat er gebeurt.
Van geheime huissamenkomsten naar basilieken, ronde en kruisvormige kerken met altaar, doopvont, glasramen en torens.
